Zo bereken je de VvE-bijdrage
Gepubliceerd op
De maandelijkse bijdrage is geen gevoelsbedrag. Hij volgt uit de begroting, het onderhoudsplan en de breukdelen in de akte. Met een rekenvoorbeeld, en met de vraag die belangrijker is dan wat de buren betalen.
Vraag in een willekeurige vereniging waar de maandelijkse bijdrage vandaan komt, en het eerlijke antwoord is vaak "van vroeger". Ooit heeft iemand een bedrag geprikt. Sindsdien is er af en toe een tientje bijgekomen, en niemand kan nog precies uitleggen waarom het is wat het is. Tot er een grote klus aankomt en het bedrag ineens verdedigd moet worden tegenover een zaal met wenkbrauwen.
Het kan anders, want de rekensom is geen mysterie. De bijdrage volgt uit twee documenten die de vereniging toch al hoort te hebben, de begroting en het onderhoudsplan. De akte bepaalt vervolgens hoe het totaal wordt verdeeld. Wie die som één keer netjes maakt, hoeft er nooit meer over te gissen. En nooit meer over te stemmen op gevoel.
Waar de bijdrage uit bestaat
De jaarbegroting van een VvE heeft twee lagen. De eerste laag zijn de lopende lasten. Denk aan de opstalverzekering, de bankrekening, klein onderhoud, schoonmaak of tuin, gezamenlijke energie en administratie. De tweede laag is de storting in het reservefonds voor groot onderhoud. Sparen is geen smaakkwestie, de wet verplicht elke VvE ertoe en noemt twee maten, het bedrag dat uit het meerjarenonderhoudsplan volgt of ten minste een half procent van de herbouwwaarde per jaar. De vergadering kiest, en het onderhoudsplan is de eerlijkste van de twee, want wat er de komende jaren aankomt bepaalt wat er nú opzij moet. Volgt jullie akte een oud modelreglement, laat je dan niet foppen door de tekst van 1983 of 1992 die het fonds nog een keuze noemt; de wet gaat voor. Samen vormen die twee lagen het jaarbedrag dat de leden met elkaar opbrengen. Mist de tweede laag, dan is de bijdrage geen bijdrage maar een abonnement op een toekomstige naheffing.
De verdeling staat niet ter discussie, en dat is maar goed ook
Hoe het jaarbedrag over de woningen wordt verdeeld, bepaalt niet het bestuur en ook niet de vergadering. Dat doet de splitsingsakte. Daarin heeft elke woning een breukdeel, bijvoorbeeld 120/1000. Omdat het reglement in de akte de kosten aan dat breukdeel koppelt, draagt die eigenaar twaalf procent van de gezamenlijke lasten. Zegt de akte niets over de verdeling, dan zegt de wet gewoon gelijke delen per woning, en dat pakt heel anders uit. Grotere woningen dragen meestal meer. Sommige aktes kennen meerdere sleutels naast elkaar, zoals liftkosten alleen voor de verdiepingen of een aparte verdeling voor bergingen en parkeerplaatsen. Een beheervereniging van huizen zonder splitsingsakte vindt de verdeling in haar statuten, vaak gewoon gelijke delen. Onveranderlijk is de sleutel trouwens niet, maar hem aanpassen loopt via een vier vijfde meerderheid en de notaris, niet via een gewoon vergaderbesluit.
Controleer de sleutel één keer echt in de akte. In menige vereniging wordt al jaren verdeeld zoals het altijd ging. Precies dat soort gewoontes geeft scheve gezichten zodra iemand de akte wél openslaat, meestal op het slechtst denkbare moment, middenin een discussie over een dure klus.
Rekenvoorbeeld met twaalf woningen
Stel, een vereniging van twaalf woningen begroot voor volgend jaar:
- opstal- en aansprakelijkheidsverzekering, 2.400 euro
- klein onderhoud en storingen, 3.600 euro
- schoonmaak en tuin, 2.900 euro
- administratie en bank, 700 euro
- storting in het reservefonds volgens het onderhoudsplan, 8.400 euro
Samen is dat 18.000 euro per jaar. Bij gelijke breukdelen betaalt elke woning 1.500 euro per jaar, oftewel 125 euro per maand. Heeft de hoekwoning in de akte breukdeel 120/1000, dan draagt die 2.160 euro per jaar en dus 180 euro per maand. Een kleinere woning met 60/1000 betaalt de helft daarvan. Kijk nog eens naar de opbouw, want bijna de helft van deze bijdrage is sparen voor later. Een vereniging die alleen de bovenste vier posten omslaat, lijkt op papier bijna zestig euro per maand goedkoper voor de woning van 125 euro, en naar verhouding meer voor de grotere. In werkelijkheid is ze minstens even duur, en meestal duurder. De rekening komt alleen later, en dan in één keer.
De verkeerde vraag is wat de buren betalen
Wie toch een landelijk getal wil, ontdekt dat de getallen elkaar vrolijk tegenspreken. En dat is leerzaam. Vereniging Eigen Huis peilde eind 2025 onder ruim zeshonderd leden een gemiddelde bijdrage van zo'n 270 euro per maand. Independer rekende in 2025 uit de advertenties van ruim achtduizend te koop staande appartementen terug wat een woning van zo'n zeventig vierkante meter kost, en kwam uit op gemiddeld 161 euro. Allebei serieus onderzoek, ruim honderd euro verschil, simpelweg omdat ze verschillende woningen meten. Precies daarom is de vraag wat normaal is de verkeerde vraag.
Toch klinkt hij op elke vergadering zodra de bijdrage ter sprake komt. Bij mijn zus in Zwolle betalen ze de helft. Dat kan kloppen, en het zegt niets. Een monumentaal pand met lift en collectieve installaties kost nu eenmaal meer dan een hofje met een gedeelde straat. De enige vergelijking die telt is die met jullie eigen begroting. Staat elke echte last erin, en dekt de spaarlaag het eigen onderhoudsplan? Een opvallend lage bijdrage bij een ouder gebouw is zelden zuinigheid. Vaak betekent het dat er te weinig wordt gespaard. Dat merk je pas bij het eerste grote dakwerk, als de zus in Zwolle ineens een naheffing van duizenden euro's krijgt.
Wanneer moet de bijdrage omhoog?
Op drie momenten. Elk jaar een klein beetje, omdat verzekeringen, energie en aannemers over de jaren heen duurder worden. Wie nooit indexeert, verlaagt de bijdrage in stilte. Daarnaast na elke actualisatie van het onderhoudsplan, want de spaarlaag volgt daaruit. En één keer flink, als blijkt dat er jaren te weinig is gespaard. Doe dat laatste in twee of drie aangekondigde stappen met het plan erbij, niet in één klap. Drie jaar achter elkaar een matige verhoging met een verhaal houdt vrijwel elke vereniging vol. Een verrassing van 25 procent ineens niet. En zeg het gewoon eerlijk op de vergadering. De vorige besturen hebben de vrede bewaard, wij betalen daar nu de rekening van, en we verdelen hem netjes.
De klassieke fouten
- Bevriezen om de lieve vrede. De goedkoopste vergadering van vandaag is de duurste naheffing van over vijf jaar.
- Meevallers uitkeren of de bijdrage verlagen. Een klus die goedkoper uitvalt is voorsprong voor de volgende klus, geen winstuitkering. In de meeste modelreglementen wordt een overschot standaard terugbetaald tenzij de vergadering anders besluit, dus zet het bewust op de agenda.
- De spaarlaag als sluitpost. Eerst alle andere posten begroten en het fonds vullen met wat overblijft, hoort precies andersom.
- Alles op één hoop. Zonder aparte regel voor de reservering ziet niemand of er echt gespaard wordt. Eén eigen regel in de begroting én de boekhouding maakt het verschil tussen sparen en hopen.
Zo hebben wij dit opgelost
Een bedrag van vroeger valt niet te verdedigen tegenover een zaal met wenkbrauwen, een opbouw wel. In SamenVvE voer je de begroting en de breukdelen uit de akte één keer in. Het systeem rekent daarna de bijdrage per woning zelf uit, inclusief de spaarlaag uit het onderhoudsplan. Elke eigenaar ziet het eigen bedrag én de opbouw erachter. Op de jaarvergadering staat de nieuwe som klaar naast die van vorig jaar, en gaat de discussie eindelijk over keuzes in plaats van over de rekensom.
Bronnen bij dit artikel
- Burgerlijk Wetboek Boek 5, artikel 112, artikel 113 en artikel 139. Artikel 112 eist dat het reglement vastlegt welke schulden en kosten voor gezamenlijke rekening komen en welke bijdragen de eigenaars storten, en artikel 113 laat de kostenverdeling over aan dat reglement, met een gelijk deel per appartementsrecht zolang de akte niets anders bepaalt. Artikel 139 wijst de enige weg om die verdeling te veranderen, een notariële aktewijziging na medewerking van alle eigenaars of een besluit met ten minste vier vijfde van de stemmen.
- Burgerlijk Wetboek Boek 5, artikel 126. De vereniging moet een reservefonds in stand houden. Voor een gebouw dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd is, bedraagt de jaarlijkse reservering ten minste het bedrag uit een onderhoudsplan van hooguit vijf jaar oud dat ten minste tien jaar vooruitkijkt, of ten minste een half procent van de herbouwwaarde van het gebouw.
- Burgerlijk Wetboek Boek 2, artikel 27. De statuten van een gewone vereniging moeten de verplichtingen van de leden bevatten, of de wijze waarop die kunnen worden opgelegd. Daar vindt een beheervereniging van huizen zonder splitsingsakte haar verdeling.
- De modelreglementen bij splitsing, via notaris.nl. 1973 (artikel 18 en artikel 31), 1983 (artikel 2, artikel 4, artikel 5 en artikel 32), 1992 (artikel 2, artikel 4, artikel 5 en artikel 32), 2006 (artikel 8, artikel 10, artikel 11 en artikel 12), 2017 (artikel 8, artikel 10, artikel 14, artikel 15 en artikel 16) en kleine VvE's 2021 (artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 9 en artikel 10). In elke generatie stelt de vergadering de begroting vast en daarbij het bedrag van de voorschotbijdragen en ieders aandeel daarin, maandelijks te betalen als een twaalfde deel. Vanaf 1983 volgt dat aandeel de breukdelen uit de akte, en in de modellen van 2006 en 2017 moet de storting in het reservefonds als aparte post in de begroting staan. Het reservefonds is in de modellen van 1973, 2006 en 2017 verplicht, terwijl 1983 en 1992 het nog een keuze van de vergadering noemen. Een overschot op de voorschotbijdragen wordt in elke generatie behalve 1983 aan de eigenaars terugbetaald tenzij de vergadering anders besluit, en in 1983 gaat het standaard naar het reservefonds.
- Rechtbank Rotterdam, 10 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6459. Een VvE die de kosten twintig jaar lang anders verdeelde dan de akte voorschrijft, nam daarmee een nietig besluit. Wie de verdeling echt wil veranderen, moet de akte laten wijzigen.
- Rechtbank Amsterdam, 18 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9075. De kantonrechter vernietigde het besluit om een niet onderbouwde reservering in het onderhoudsplan te laten staan. De spaarlaag moet dus steunen op onderhoud dat er werkelijk aankomt.